Dit boek speelt in het Polen van het einde der 19e eeuw. Jasja Mazur is de rondreizende variété-artiest, die zich met zijn talloze trucs en toeren de faam van duizendkunstenaar heeft veroverd. Hij heeft zijn orthodoxe joodse geloof verloren. Hij is een onvermoeibaar jager op vrouwen, geld en aardse genietingen. Zijn grote liefde is een oudere katholieke vrouw; de weduwe Emilia, die voor hem de femme fatale wordt.
De duizendkunstenaar wil met haar trouwen en in Italië een nieuw leven beginnen. Om een en ander te financieren pleegt hij een inbraak. Na de mislukkeling daarvan, stort zijn rijk snel ineen. Hij wordt achtervolgd door een reeks ongelukken, de vrouwen keren hem de rug toe. Eenzaam, gewond en geestelijk gekweld beleeft hij tenslotte een wederopstanding in een kleine synagoge. Hij gaat terug naar zijn vrouw in Lublin om een asceet, een prediker en een heilige te worden.
Het boek heeft vele typische chassidische trekken en is tegelijk een schelmenverhaal in de traditie van de Jiddisje literatuur
De duizendkunstenaar wil met haar trouwen en in Italië een nieuw leven beginnen. Om een en ander te financieren pleegt hij een inbraak. Na de mislukkeling daarvan, stort zijn rijk snel ineen. Hij wordt achtervolgd door een reeks ongelukken, de vrouwen keren hem de rug toe. Eenzaam, gewond en geestelijk gekweld beleeft hij tenslotte een wederopstanding in een kleine synagoge. Hij gaat terug naar zijn vrouw in Lublin om een asceet, een prediker en een heilige te worden.
Het boek heeft vele typische chassidische trekken en is tegelijk een schelmenverhaal in de traditie van de Jiddisje literatuur