Lezersrecensie
Goed vakmanschap verloochent zich nooit
‘De kleine kannibaal heeft zonder het te weten zijn eigen moeder opgegeten.’
(gedichtje van Gemmetje Victoria; jaren zeventig)
Yvonne Keuls behoeft amper introductie. Bijna honderd titels staan op haar naam. Van toneelstukken en hoorspelen tot literaire televisiebewerkingen, non-ficties en romans. Vanaf eind jaren zeventig breekt ze door bij het grote publiek met haar sociale romans, waaronder Jan Rap en z’n maat, De moeder van David S. en Het verrotte leven van Floortje Bloem. Romans waarin fictie en werkelijkheid een hechte eenheid vormen. Veel van haar boeken werden bekroond en zijn uitgegroeid tot klassiekers van de Nederlandse literatuur.
Met haar meest recente roman Gemmetje Victoria (2021) viert Keuls niet alleen haar negentigste verjaardag, maar wil zij ook een belangrijk verhaal vertellen. In 1972 begon ze met een bevlogen groep mensen een opvanghuis in Den Haag, waar zij zelf vrijwilligerswerk verrichtte. En daar stapte een jonge Gemmetje dwingend en schreeuwend naar binnen, vergezeld door een stapel rapporten die haar leven met een paar woorden afdeden. Ze was van kindertehuis naar kindertehuis gestuurd, zeventien in totaal. Ook hadden acht pleeggezinnen zich over haar “ontfermd” en was behandeling in psychiatrische instellingen onderdeel van haar leven geworden. Keuls wist direct: Van dit kind ga ik houden. En zij van mij. Als we elkaar tenminste niet vermoorden.
Met dit boek wil Keuls tevens het faillissement van de jeugdzorg in Nederland aantonen. Een instantie die volgens haar nog steeds faalt en waarbinnen jongeren niet beter maar slechter worden. Dit verhaal moest dus worden geschreven. Waarom ze decennialang wachtte, is een keuze die respect verdient, maar het aanwijsbaar tekortschieten van de zorg had wellicht nog wat teweeg kunnen brengen. Haar eigen rol houdt de auteur bescheiden en klein. Onterecht, want feit is dat Gemmetje zich vijfentwintig keer spontaan bij haar meldde voor welk probleem dan ook, én haar het volste vertrouwen gaf. Ze was steunpilaar en vraagbaak tegelijk op de allerbelangrijkste momenten in Gemmetjes leven.
Keuls weet ons na een indrukwekkende carrière en op respectabele leeftijd nog steeds te verrassen. Haar werk heeft niets aan veerkracht ingeboet. Ze vertelt dit intieme, kwetsbare verhaal met relativerende humor maar is ijzersterk in het overbrengen van empathie en compassie voor Gemmetje, die ontroert, kwelt, steekt en zo oprecht en sterk is als ze maar zijn kan.
Naar eigen zeggen is Keuls nog niet klaar met schrijven. Gelukkig maar, want goed vakmanschap verloochent zich nooit.
Met dank aan Literair Genootschap Eindig Laagland en Ambo Anthos Uitgevers.
(gedichtje van Gemmetje Victoria; jaren zeventig)
Yvonne Keuls behoeft amper introductie. Bijna honderd titels staan op haar naam. Van toneelstukken en hoorspelen tot literaire televisiebewerkingen, non-ficties en romans. Vanaf eind jaren zeventig breekt ze door bij het grote publiek met haar sociale romans, waaronder Jan Rap en z’n maat, De moeder van David S. en Het verrotte leven van Floortje Bloem. Romans waarin fictie en werkelijkheid een hechte eenheid vormen. Veel van haar boeken werden bekroond en zijn uitgegroeid tot klassiekers van de Nederlandse literatuur.
Met haar meest recente roman Gemmetje Victoria (2021) viert Keuls niet alleen haar negentigste verjaardag, maar wil zij ook een belangrijk verhaal vertellen. In 1972 begon ze met een bevlogen groep mensen een opvanghuis in Den Haag, waar zij zelf vrijwilligerswerk verrichtte. En daar stapte een jonge Gemmetje dwingend en schreeuwend naar binnen, vergezeld door een stapel rapporten die haar leven met een paar woorden afdeden. Ze was van kindertehuis naar kindertehuis gestuurd, zeventien in totaal. Ook hadden acht pleeggezinnen zich over haar “ontfermd” en was behandeling in psychiatrische instellingen onderdeel van haar leven geworden. Keuls wist direct: Van dit kind ga ik houden. En zij van mij. Als we elkaar tenminste niet vermoorden.
Met dit boek wil Keuls tevens het faillissement van de jeugdzorg in Nederland aantonen. Een instantie die volgens haar nog steeds faalt en waarbinnen jongeren niet beter maar slechter worden. Dit verhaal moest dus worden geschreven. Waarom ze decennialang wachtte, is een keuze die respect verdient, maar het aanwijsbaar tekortschieten van de zorg had wellicht nog wat teweeg kunnen brengen. Haar eigen rol houdt de auteur bescheiden en klein. Onterecht, want feit is dat Gemmetje zich vijfentwintig keer spontaan bij haar meldde voor welk probleem dan ook, én haar het volste vertrouwen gaf. Ze was steunpilaar en vraagbaak tegelijk op de allerbelangrijkste momenten in Gemmetjes leven.
Keuls weet ons na een indrukwekkende carrière en op respectabele leeftijd nog steeds te verrassen. Haar werk heeft niets aan veerkracht ingeboet. Ze vertelt dit intieme, kwetsbare verhaal met relativerende humor maar is ijzersterk in het overbrengen van empathie en compassie voor Gemmetje, die ontroert, kwelt, steekt en zo oprecht en sterk is als ze maar zijn kan.
Naar eigen zeggen is Keuls nog niet klaar met schrijven. Gelukkig maar, want goed vakmanschap verloochent zich nooit.
Met dank aan Literair Genootschap Eindig Laagland en Ambo Anthos Uitgevers.
5
3
Reageer op deze recensie