Meer dan 6,3 miljoen beoordelingen en recensies Organiseer de boeken die je wilt lezen of gelezen hebt Het laatste boekennieuws Word gratis lid
×
Lezersrecensie

Het grijze schrift

Frans Moberts 05 maart 2025
Nicolas Bouvier maakt zijn eerste reis naar Azië in 1953/54. In een Fiat Topolino rijdt hij samen met zijn vriend Thierry Vernet in 18 maanden van Belgrado naar de Khyber pas in Pakistan. Zijn uiteindelijke doel is China en Japan maar vanwege een malaria-besmetting moet hij zijn reis voortijdig afbreken. Het boek dat hij over die reis schrijft ‘De wegen van de wereld’ ontwikkelt zich tot de bijbel van een nieuwe generatie van reisauteurs.

Van uitstel komt echter geen afstel. Bouvier verblijft in 1955/56, in zijn eentje en in 1964/65, samen met zijn vrouw en kinderen langere tijd in Japan. Hij heeft echter nog een metgezel, ‘het grijze schrift’ waarin hij zijn notities maakt. Bij een bezoek aan de beroemde Ryoanji-tempel, met Japans meest befaamde tuin bestaande uit 15 rotsstenen, waarvan er waar je ook staat altijd één onzichtbaar is noteert hij het volgende “We arriveren in dit karige en sobere land met de stofwisseling van een veelvraat; […] terwijl het ware kenmerk van Azië nu juist matigheid is.” Hij verbaast zich erover hoe druk het er is, er lopen niet alleen Amerikaanse toeristen rond, waarvan hij de stellige indruk heeft dat die “op één dag een tiental tempels en een keizerlijk paleis of twee naar binnen schrokt” maar ook hele schoolklassen. Uit eigen ervaring weet ik dat het er vijftig jaar later nog vele malen drukker is.

De, vaak korte, notities in zijn grijze schrift vormen slechts één deel van het boek. Dat begint met een overzicht van de Japanse geschiedenis, lopend vanaf het jaar nul met de schepping van Japan door twee kami, goddelijke geesten, de komst van het boeddhisme, de verschillende dynastieën van keizers en krijgsheren, uit die tijd stamt o.a. ‘Het hoofdkussenboek’ van Sei Shonagon, de mislukte invasies van Kublai Chan, Columbus die denkt in Japan te zijn maar in werkelijkheid in Haïti is, de komst van de Portugezen, de Nederlanders en Amerikanen tot aan de tweede wereldoorlog.

Tijdens zijn eerste bezoek aan het land ontdekt hij dat de Japanners conciëntieuze fotografen zijn en een passie hebben voor familiealbums. Waar hij ook op bezoek gaat, zodra hij binnenkomt krijgt hij al een album onder zijn neus geschoven. “Ik heb minstens honderd van die albums gezien en ze hebben me meer over het land geleerd dan de foto’s van de grootste fotografen.” Tijdens zijn verblijf gaat het hem niet echt voor de wind, hij kan geen enkel artikel aan wat voor Japans tijdschrift dan ook slijten. “In afwachting van betere tijden red ik met met zestig yen (één Franse franc) per dag: tien voor brood, tien voor melk en zeven yen voor een (afgewogen) ei als ik er een kan vinden dat klein genoeg is.” De ontdekking van de ‘toneelmuur’, een lange betonnen muur die door zijn uiterlijk iedereen die er voorlangs loopt tot een ‘typetje’ transformeert vormt zijn redding. De foto’s die hij er maakt weet hij te verkopen aan een Japans tijdschrift. Hij verdient er genoeg mee om zijn terugreis te bekostigen.

Bij zijn tweede bezoek aan Japan krijgt hij de kans om samen met een vriend in Tsukimura een tweedaags feest bij te wonen, een dansfestijn en drinkgelag waarin de bergbewoners de kami van hun dorp uitnodigen, en wat niet alleen een duivelsbezwering is maar ook een verzoeningsceremonie, het zgn. ‘Bloemenfeest’. Eenmaal in het dorp aangekomen, na een reis met een boemeltreintje, de bus, een bolderwagen en tot slot een wandeling van een uur worden ze op sleeptouw genomen door een dan al aangeschoten lokale brandweerman. Het feest speelt zich af van ‘Negen uur ‘s avonds, in een boerderij’, waar ze “een armeluismaal voorgeschoteld krijgen dat wordt weggespoeld met flinke glazen aardappeljenever”, waarna tussen ‘Middernacht en twee uur ‘s nachts’ de geesten die rond een vuur dansen “met gloeiende stokken worden bestookt en met veel lawaai de nacht in worden gejaagd,” via ‘Vier uur ‘s nachts, bij de derde boerderij’ tot ‘Zes uur ‘s ochtends’ als hij de terugtocht aanvaardt.

Bouvier bezoekt ook nog het uiterste noorden van Japan, waar tegenwoordig nog zo’n zestienduizend Ainu in “ten behoeve van de toeristen onderhouden” reservaten wonen. In nogmaals een lesje geschiedenis beschrijft hij hoe de Ainu, een van oudsher Kaukasisch volk, vroeger een groot deel van de Japanse archipel bewoonden maar in de loop der tijd door de Yamato, het huidige Japanse ras steeds verder naar het noorden zijn verdrongen.

Na anderhalf jaar laat hij zich soms meeslepen door wat hij ziet “Ik lijk wel een Japanner” en wordt “het tijd dat ik mijn tas pak en ergens anders ga wonen.”

Reageer op deze recensie

Meer recensies van Frans Moberts

Gesponsord

Een moeder zal alles op alles zetten om haar zoon vrij te pleiten, maar is hij wel zo onschuldig als ze denkt? Schrijf je nu in voor de Hebban Leesclub.