Lezersrecensie
Een fabuleus veelvoudig meesterwerk, vol raadsels en puzzels
Georges Perec (1936- 1982) staat weer helemaal in de spotlights, door diverse nieuwe of herziene vertalingen. Terecht, want Perec is een van de creatiefste en indrukwekkendste schrijvers aller tijden. En alles van hem is schitterend. Maar zijn ultieme meesterwerk is "Het leven een gebruiksaanwijzing," dat in 1995 al prachtig is vertaald door Edu Borger. De laatste grote gebeurtenis in de geschiedenis van de roman, volgens Italo Calvino. Het beste boek van 1995, volgens de Nederlandstalige pers. Een van de grootste werken van de vorige eeuw, volgens sommigen. En een persoonlijke favoriet, al jarenlang.
Dit magistrale boek beschrijft de doorsnede van een typisch Parijs flatgebouw op één moment. Als een verbale voorstelling van een schilderij waarop je alle honderd ruimten rondom het trappenhuis tegelijk zou kunnen zien. Als je tenminste honderd paar ogen had. De naamloze verteller beweegt via een strikt geometrisch patroon van ruimte naar ruimte, en bezoekt alle honderd ruimten precies één keer. Vervolgens vertelt hij ons tot in detail over die ruimten, de interieurs, de bewoners, hun dromen, hun fantasieën, hun verwanten, en hun grillig vertakte voorgeschiedenissen.
Dat levert maar liefst zevenhonderd ongelofelijk fantasievolle verhalen op. Met honderden aanstekelijk markante personages. En vol raadsels, omdat de verteller niks verklaart en veel open laat. Vol verbazing lees je over een acrobaat die zijn trapeze nooit meer wil verlaten. Over een man die vergeten woorden uit woordenboeken schrapt en daar vervolgens lange inventarissen van maakt. Over een miskende en ernstig verminkte wielrenner die een succesvolle gangster wordt. Over een schilder die zijn geportretteerden doet verdwijnen in geschilderde mist, en die een voorgoed afwezige Eurydice schildert. Over een archeoloog die zijn leven lang obsessief zoekt naar de sporen van een verloren oude stad die mogelijk alleen in legenden bestond. Over een geobsedeerde maar melancholische verzamelaar van voorwerpen waar maar één exemplaar van bestaat. Over allerlei vervalsers, onderzoekers, detectives, zwendelaars, wraaklustigen, avonturiers, geobsedeerden, criminelen, ambachtslieden en kopiisten. Enzovoort, enzovoort.
Elk verhaal bevat meer verbeeldingsrijkdom, spanning en intellectueel avontuur dan een doorsnee roman. Bovendien spelen die verhalen in zeer uiteenlopende tijden en landen, en pasticheert Perec vele verschillende genres en stijlen. Ook trakteert hij ons op maniakaal gedetailleerde beschrijvingen van honderden (vaak fictieve) kunstwerken. Daarnaast worden vele honderden voorwerpen en details beschreven, in tientallen hallucinant uitdijende en ongekend kleurrijke opsommingen. En dan zijn er ook nog eens tientallen allusies op werken van o.a. Borges, Calvino, Mann, Joyce, Kafka, Queneau, Verne, Pirandello, en Perec zelf.
Als lezer word je dus volkomen verpletterd en bedwelmd door de onuitputtelijke veelvormigheid, veelvoudigheid en veelkleurigheid. Niet alleen die van dit vuistdikke boek, maar ook die van dat ene geschilderde flatgebouw. Want elke in dat schilderij opgeroepen ruimte roept al een onbevattelijke diversiteit op. Je blik kan dus niet eens één ruimte omvatten. Laat staan het hele tableau van alle honderd ruimten tegelijk.
Die veelvoudigheid glanst volop in Perecs ellenlange opsommingen. Daarin herkennen we zijn fascinatie voor alles dat zo alledaags, ‘ondergewoon’ en vanzelfsprekend is dat we het niet meer zien. Voor alle voorwerpen waar onze blik honderden malen per dag op rust zonder dat we er echt naar kijken. Precies die ‘ondergewone’ voorwerpen worden één voor één opgesomd, zodat elk voorwerp het aura krijgt van een raadselachtig unicum. En ook een poëtische glans, omdat die voorwerpen beroofd zijn van hun normale en routineuze context. Elke opsomming leest dus als een geheimzinnig prozagedicht. Bovendien lijken de opsommingen vaak op legpuzzels waarvan we het patroon niet kennen. Zodat de opgesomde stukjes geen betekenisvol geheel vormen. Dat maakt elk stukje nog raadselachtiger. Want: “alleen bijeengelegde stukjes krijgen een interpreteerbaar karakter, een betekenis: afzonderlijk beschouwd wil een stukje niets zeggen; het houdt slechts een onmogelijke vraag, een duistere uitdaging in”. Elk opgesomd voorwerp stelt dus een “onmogelijke vraag” met een “duistere uitdaging”. Elk verhaal stelt zelfs meerdere van die onmogelijke vragen. Want elk verhaal is vol losse puzzelstukken en ook zelf een los puzzelstuk. Zodat de roman in zijn geheel niet alleen onuitputtelijk veelvoudig is, maar ook een onoplosbare puzzel.
Een intrigerend puzzelstuk is het verhaal over Bartlebooth. Zijn naam is al een puzzel. Hij is steenrijk en excentriek, net als Barnabooth van Larbaud. Maar hij is tegelijk volkomen onverschillig en vervuld van “I would prefer not to”, net als de kopiist Bartleby van Melville. Zijn levensproject lijkt bovendien een puzzel van megalomanie en nihilisme. En het wordt stukje bij beetje verteld, als een puzzel. Dit levensproject start met tien jaar lang leren hoe te aquarelleren. Vervolgens reist hij twintig jaar alle windstreken in de wereld af, en maakt hij vijfhonderd zeegezichten. Met een gemiddelde van één aquarel per twee weken, steeds van hetzelfde formaat. Al die aquarellen worden verstuurd naar Gaspard Winckler, een gespecialiseerde puzzelmaker die elke aquarel op hout plakt, en er een ongehoord complexe puzzel van maakt van zevenhondervijftig stukjes. Na twintig jaar reizen keert Bartlebooth terug, legt alle puzzels, en herstelt zo weer elke aquarel. Maar vervolgens brengt hij alle aquarellen weer terug naar hun plek van ontstaan, en maakt hij de herstelde aquarel weer maagdelijk wit…. Dat alles is tenminste het bizarre plan.
Zijn redenering: alle inspanningen zijn altijd tevergeefs, dus kun je die vergeefsheid maar beter van meet af aan inbouwen in je projecten. Oftewel: “hij wilde dat het hele project in zichzelf zou verdwijnen zonder sporen na te laten, zoals een olievlek op zee die zich boven een verdrinkende man sluit, hij wilde dat er niets, volstrekt niets van zou overblijven, dat er slechts leegte, de vlekkeloze ongereptheid van het niets, de vrijblijvende perfectie van het nutteloze uit zou voortkomen”.
Mede door dit verhaal staat "Het leven een gebruiksaanwijzing" sterk in het teken van het niets, de lacune, de leegte. Temeer omdat het Bartlebooth niet lukt om alle puzzelstukjes te leggen. En omdat hij voor het einde van zijn bizarre project blind wordt en sterft. Waardoor zijn project zelfs nog vergeefser en mislukter wordt dan het was bedoeld. Ook diverse andere verhalen zijn doordesemd van vergeefsheid. En van hopeloze leegte of gierende angst. Voorts zijn er de nodige allusies op de pijnlijke leegten in Perecs door de holocaust getekende leven. Bovendien zit er een significant hiaat in de romanstructuur: we werden geacht een tableau van exact honderd ruimten te zien, maar het zijn er negenennegentig…..
Maar “vrijblijvende perfectie van het nutteloze” verwijst ook naar het spel puur om het spel. Of wellicht naar het belangeloze welbehagen dat volgens Kant de esthetische ervaring kenmerkt. Het schone en speelse heeft immers geen enkel rationeel doel en geen enkel aanwijsbaar nut. En precies dat maakt het schone zo schoon, en het speelse zo speels. Ook is “vlekkeloze ongereptheid van het niets” niet louter nihilistisch. Want het Niets is ook het onbegrensde potentieel van mogelijkheden. Juist omdat het Niets nog geen enkele mogelijkheid concreet als werkelijkheid heeft ingevuld. Perecs verhalen zijn bovendien raadsels vol van oningevulde openheid, en benaderen deze “ongereptheid van het niets”. En ze zijn doorregen met speelsheid en schoonheid, die door geen enkel nuttig of rationeel doel worden begrensd.
Ook de roman als geheel ademt leegte. Eerder noemde ik hem een verbale voorstelling van een schilderij. Tegelijk echter onttrekken de afgebeelde ruimten zich aan de afbeelding, want elke ruimte is onbevattelijk veelvoudig. Bovendien, dit schilderij schildert fenomenen die je niet kunt schilderen. Deel één begint met: “Ja, zo zou het kunnen beginnen, hier [in het trappenhuis], zomaar, op die neutrale plek die van iedereen en niemand is”. Maar “zou kunnen beginnen” is bijna een irrealis en nauwelijks af te beelden. Dat geldt nog sterker voor: “Op de trappen glijden de vluchtige schimmen van al degenen die daar eens waren”. Of voor: “Hij probeerde die minieme details op te roepen die in de loop van de laatste vijfenvijftig jaar één voor één waren uitgewist”. Waarna een lange opsomming volgt van precies die uitgewiste details.
Het geparafraseerde schilderij is dus onmogelijk te schilderen. Sterker nog: het IS niet geschilderd. “Het doek was praktisch maagdelijk: enkele zorgvuldig getrokken houtskoolstrepen verdeelden het in regelmatige vierkanten: een schets van een dwarsdoorsnede van een pand waar nu nooit meer enige figuur zou komen”. Door bijna maagdelijk te zijn benadrukt het schilderij de onmogelijkheid om het zo veelvoudige leven te schilderen. Wat een eerbewijs is aan die veelvoudigheid. Ook benadert het de ongereptheid en eindeloze potentialiteit van het niets. Net als de roman, die eindeloos droomt, speelt en puzzelt. Zonder doel, zonder nut. Vol angst en leegte. Maar toch met eindeloze spelvreugde.
Ik las "Het leven een gebruiksaanwijzing" voor de vierde keer. En ik vond het prachtiger dan ooit. Daarbij had ik veel aan "Georges Perec, een gebruiksaanwijzing" van Manet van Montfrans, en "Georges Perec: a life in words" van David Bellos. Want de betekenislagen die deze eminente Perec- experts blootleggen zou ik zelf nooit hebben gevonden. Toch heb ik nu maar een fractie besproken van wat ik heb gezien. En vast maar een fractie gezien van Perecs volle rijkdom. Deze roman is kortom onuitputtelijk. Dus ik hoop hem nog vaak te herlezen
Dit magistrale boek beschrijft de doorsnede van een typisch Parijs flatgebouw op één moment. Als een verbale voorstelling van een schilderij waarop je alle honderd ruimten rondom het trappenhuis tegelijk zou kunnen zien. Als je tenminste honderd paar ogen had. De naamloze verteller beweegt via een strikt geometrisch patroon van ruimte naar ruimte, en bezoekt alle honderd ruimten precies één keer. Vervolgens vertelt hij ons tot in detail over die ruimten, de interieurs, de bewoners, hun dromen, hun fantasieën, hun verwanten, en hun grillig vertakte voorgeschiedenissen.
Dat levert maar liefst zevenhonderd ongelofelijk fantasievolle verhalen op. Met honderden aanstekelijk markante personages. En vol raadsels, omdat de verteller niks verklaart en veel open laat. Vol verbazing lees je over een acrobaat die zijn trapeze nooit meer wil verlaten. Over een man die vergeten woorden uit woordenboeken schrapt en daar vervolgens lange inventarissen van maakt. Over een miskende en ernstig verminkte wielrenner die een succesvolle gangster wordt. Over een schilder die zijn geportretteerden doet verdwijnen in geschilderde mist, en die een voorgoed afwezige Eurydice schildert. Over een archeoloog die zijn leven lang obsessief zoekt naar de sporen van een verloren oude stad die mogelijk alleen in legenden bestond. Over een geobsedeerde maar melancholische verzamelaar van voorwerpen waar maar één exemplaar van bestaat. Over allerlei vervalsers, onderzoekers, detectives, zwendelaars, wraaklustigen, avonturiers, geobsedeerden, criminelen, ambachtslieden en kopiisten. Enzovoort, enzovoort.
Elk verhaal bevat meer verbeeldingsrijkdom, spanning en intellectueel avontuur dan een doorsnee roman. Bovendien spelen die verhalen in zeer uiteenlopende tijden en landen, en pasticheert Perec vele verschillende genres en stijlen. Ook trakteert hij ons op maniakaal gedetailleerde beschrijvingen van honderden (vaak fictieve) kunstwerken. Daarnaast worden vele honderden voorwerpen en details beschreven, in tientallen hallucinant uitdijende en ongekend kleurrijke opsommingen. En dan zijn er ook nog eens tientallen allusies op werken van o.a. Borges, Calvino, Mann, Joyce, Kafka, Queneau, Verne, Pirandello, en Perec zelf.
Als lezer word je dus volkomen verpletterd en bedwelmd door de onuitputtelijke veelvormigheid, veelvoudigheid en veelkleurigheid. Niet alleen die van dit vuistdikke boek, maar ook die van dat ene geschilderde flatgebouw. Want elke in dat schilderij opgeroepen ruimte roept al een onbevattelijke diversiteit op. Je blik kan dus niet eens één ruimte omvatten. Laat staan het hele tableau van alle honderd ruimten tegelijk.
Die veelvoudigheid glanst volop in Perecs ellenlange opsommingen. Daarin herkennen we zijn fascinatie voor alles dat zo alledaags, ‘ondergewoon’ en vanzelfsprekend is dat we het niet meer zien. Voor alle voorwerpen waar onze blik honderden malen per dag op rust zonder dat we er echt naar kijken. Precies die ‘ondergewone’ voorwerpen worden één voor één opgesomd, zodat elk voorwerp het aura krijgt van een raadselachtig unicum. En ook een poëtische glans, omdat die voorwerpen beroofd zijn van hun normale en routineuze context. Elke opsomming leest dus als een geheimzinnig prozagedicht. Bovendien lijken de opsommingen vaak op legpuzzels waarvan we het patroon niet kennen. Zodat de opgesomde stukjes geen betekenisvol geheel vormen. Dat maakt elk stukje nog raadselachtiger. Want: “alleen bijeengelegde stukjes krijgen een interpreteerbaar karakter, een betekenis: afzonderlijk beschouwd wil een stukje niets zeggen; het houdt slechts een onmogelijke vraag, een duistere uitdaging in”. Elk opgesomd voorwerp stelt dus een “onmogelijke vraag” met een “duistere uitdaging”. Elk verhaal stelt zelfs meerdere van die onmogelijke vragen. Want elk verhaal is vol losse puzzelstukken en ook zelf een los puzzelstuk. Zodat de roman in zijn geheel niet alleen onuitputtelijk veelvoudig is, maar ook een onoplosbare puzzel.
Een intrigerend puzzelstuk is het verhaal over Bartlebooth. Zijn naam is al een puzzel. Hij is steenrijk en excentriek, net als Barnabooth van Larbaud. Maar hij is tegelijk volkomen onverschillig en vervuld van “I would prefer not to”, net als de kopiist Bartleby van Melville. Zijn levensproject lijkt bovendien een puzzel van megalomanie en nihilisme. En het wordt stukje bij beetje verteld, als een puzzel. Dit levensproject start met tien jaar lang leren hoe te aquarelleren. Vervolgens reist hij twintig jaar alle windstreken in de wereld af, en maakt hij vijfhonderd zeegezichten. Met een gemiddelde van één aquarel per twee weken, steeds van hetzelfde formaat. Al die aquarellen worden verstuurd naar Gaspard Winckler, een gespecialiseerde puzzelmaker die elke aquarel op hout plakt, en er een ongehoord complexe puzzel van maakt van zevenhondervijftig stukjes. Na twintig jaar reizen keert Bartlebooth terug, legt alle puzzels, en herstelt zo weer elke aquarel. Maar vervolgens brengt hij alle aquarellen weer terug naar hun plek van ontstaan, en maakt hij de herstelde aquarel weer maagdelijk wit…. Dat alles is tenminste het bizarre plan.
Zijn redenering: alle inspanningen zijn altijd tevergeefs, dus kun je die vergeefsheid maar beter van meet af aan inbouwen in je projecten. Oftewel: “hij wilde dat het hele project in zichzelf zou verdwijnen zonder sporen na te laten, zoals een olievlek op zee die zich boven een verdrinkende man sluit, hij wilde dat er niets, volstrekt niets van zou overblijven, dat er slechts leegte, de vlekkeloze ongereptheid van het niets, de vrijblijvende perfectie van het nutteloze uit zou voortkomen”.
Mede door dit verhaal staat "Het leven een gebruiksaanwijzing" sterk in het teken van het niets, de lacune, de leegte. Temeer omdat het Bartlebooth niet lukt om alle puzzelstukjes te leggen. En omdat hij voor het einde van zijn bizarre project blind wordt en sterft. Waardoor zijn project zelfs nog vergeefser en mislukter wordt dan het was bedoeld. Ook diverse andere verhalen zijn doordesemd van vergeefsheid. En van hopeloze leegte of gierende angst. Voorts zijn er de nodige allusies op de pijnlijke leegten in Perecs door de holocaust getekende leven. Bovendien zit er een significant hiaat in de romanstructuur: we werden geacht een tableau van exact honderd ruimten te zien, maar het zijn er negenennegentig…..
Maar “vrijblijvende perfectie van het nutteloze” verwijst ook naar het spel puur om het spel. Of wellicht naar het belangeloze welbehagen dat volgens Kant de esthetische ervaring kenmerkt. Het schone en speelse heeft immers geen enkel rationeel doel en geen enkel aanwijsbaar nut. En precies dat maakt het schone zo schoon, en het speelse zo speels. Ook is “vlekkeloze ongereptheid van het niets” niet louter nihilistisch. Want het Niets is ook het onbegrensde potentieel van mogelijkheden. Juist omdat het Niets nog geen enkele mogelijkheid concreet als werkelijkheid heeft ingevuld. Perecs verhalen zijn bovendien raadsels vol van oningevulde openheid, en benaderen deze “ongereptheid van het niets”. En ze zijn doorregen met speelsheid en schoonheid, die door geen enkel nuttig of rationeel doel worden begrensd.
Ook de roman als geheel ademt leegte. Eerder noemde ik hem een verbale voorstelling van een schilderij. Tegelijk echter onttrekken de afgebeelde ruimten zich aan de afbeelding, want elke ruimte is onbevattelijk veelvoudig. Bovendien, dit schilderij schildert fenomenen die je niet kunt schilderen. Deel één begint met: “Ja, zo zou het kunnen beginnen, hier [in het trappenhuis], zomaar, op die neutrale plek die van iedereen en niemand is”. Maar “zou kunnen beginnen” is bijna een irrealis en nauwelijks af te beelden. Dat geldt nog sterker voor: “Op de trappen glijden de vluchtige schimmen van al degenen die daar eens waren”. Of voor: “Hij probeerde die minieme details op te roepen die in de loop van de laatste vijfenvijftig jaar één voor één waren uitgewist”. Waarna een lange opsomming volgt van precies die uitgewiste details.
Het geparafraseerde schilderij is dus onmogelijk te schilderen. Sterker nog: het IS niet geschilderd. “Het doek was praktisch maagdelijk: enkele zorgvuldig getrokken houtskoolstrepen verdeelden het in regelmatige vierkanten: een schets van een dwarsdoorsnede van een pand waar nu nooit meer enige figuur zou komen”. Door bijna maagdelijk te zijn benadrukt het schilderij de onmogelijkheid om het zo veelvoudige leven te schilderen. Wat een eerbewijs is aan die veelvoudigheid. Ook benadert het de ongereptheid en eindeloze potentialiteit van het niets. Net als de roman, die eindeloos droomt, speelt en puzzelt. Zonder doel, zonder nut. Vol angst en leegte. Maar toch met eindeloze spelvreugde.
Ik las "Het leven een gebruiksaanwijzing" voor de vierde keer. En ik vond het prachtiger dan ooit. Daarbij had ik veel aan "Georges Perec, een gebruiksaanwijzing" van Manet van Montfrans, en "Georges Perec: a life in words" van David Bellos. Want de betekenislagen die deze eminente Perec- experts blootleggen zou ik zelf nooit hebben gevonden. Toch heb ik nu maar een fractie besproken van wat ik heb gezien. En vast maar een fractie gezien van Perecs volle rijkdom. Deze roman is kortom onuitputtelijk. Dus ik hoop hem nog vaak te herlezen
1
Reageer op deze recensie