Lezersrecensie
Een informatief en aanstekelijk boekje over de grote Ingeborg Bachmann
Een paar jaar geleden zette Uitgeverij Koppernik de Oostenrijkse schrijfster Ingeborg Bachmann (1926-1973) weer op de kaart, door de uitgaven van de romancyclus "Doodsoorzaken" en van de "Verzamelde verhalen". Goede zaak, want Bachmann is volgens sommigen een van de grootste Duitstalige schrijvers van de 20e eeuw, maar in het Nederlandse taalgebied was ze grotendeels vergeten. Beide boeken waren voor mij bovendien een leesfeest. Ongeveer tegelijk verscheen ook "Nerveuze gejaagdheid", waarin de eminente Bachmann- vertaler Paul Beers en de al even eminente Bachmann- kenner Ingeborg Dusar haar werk bespreken, in verschillende korte (vaak eerder gepubliceerde) stukken. Vooral voor Bachmann- liefhebbers is dit boekje interessant. En voor mij was het een aangename voortzetting van mijn Bachmann- leesfeest.
Fascinerend aan Bachmann vind vooral haar radicaliteit en haar intense geladenheid. Haar uiterst sensibele personages worstelen steeds op adembenemende wijze met de krenkingen van het leven, de oorlog van allen tegen allen die wij in stilte voeren, de nawerkingen van WO II en het Nazisme, het knellende keurslijf van onze taal en onze conventies dat ons (volgens Bachmann) langzaam vermoordt. En aan dat alles pogen zij op al even adembenemende wijze te ontsnappen, door breuken te zoeken in onze taal, denkwijzen en conventies, en door naar nieuwe perspectieven te tasten die radicaal anders zijn dan alles wat wij menen te weten. “Wat waar is veroorzaakt scheuren in de muur”, zo schrijft Bachmann: al haar personages zoeken met wanhopig intense passie naar precies die scheuren. Vaak ten koste van alles, en tegen elk gezond verstand in, maar ze kunnen niet anders, en ze hebben bovendien geen boodschap aan ‘gezond verstand’.
Precies die gepassioneerde zoektocht evoceert Bachmann in ongelofelijk geconcentreerd poëtisch proza, dat ook zelf radicaal anders is en met alle keurslijven breekt. Vooral dat bewonder ik: zelden las ik zulk intens proza dat zo doordesemd is van zulke onbevattelijk indringende beelden die zo aanstekelijk naar het ongrijpbare grijpen. En die het ongrijpbare ook ongrijpbaar houden, zodat het ons als lezers ook altijd met zijn geheimzinnigheid en onbereikbaarheid blijft verlokken. “De verdichte taal is een wegwijzer, een teken van een werkelijkheid die zelf (nog) niet met taal valt uit te drukken”, schrijft Dusar terecht: daarom is Bachmanns verdichte proza en poëzie altijd ongrijpbaar en duister. Dat vraagt van de lezer veel inspanning, en niet iedereen zal houden van Bachmanns radicaliteit en tragiek. Maar in ruil daarvoor krijg je een wel heel rijke leeservaring aangeboden, met perspectieven die je bij andere schrijvers niet gauw vindt.
Die leeservaring nu wordt in dit boekje op fraaie wijze verrijkt. De beide auteurs zijn namelijk heel goede gidsen. Paul Beers heeft alle Nederlandstalige Bachmann- vertalingen gedaan, en heeft de waarde van haar werk vele jaren lang onvermoeibaar verdedigd. Ingeborg Dusar is op Bachmann gepromoveerd, en in haar ongelofelijk erudiete nawoorden van "Doodsoorzaken" en "Verzamelde verhalen" bleek al dat ze betekenislagen naar boven kan halen die simpele lezers als ik nooit zouden hebben gezien. Dat doet ze bovendien op heldere wijze, zonder veel vakspecialistisch en ingewikkeld jargon. Haar duidingen vind weliswaar soms nogal speculatief, maar tegelijk vind ik die speculaties wel weer heel intrigerend.
Bovendien is het mooi dat Beers en Dusar het hele werk van Bachmann meenemen, dus de romans, de gedichten, de verhalen én de essays, dat ze recht doen aan de inhoud én aan de mogelijke autobiografische (vaak pijnlijk traumatische) achtergronden ervan, en dat ze samen van gedachten wisselen over moeilijk te interpreteren of te vertalen passages én over Bachmanns soms moeizame receptie binnen en buiten het Nederlandse taalgebied. Ook de nog onvertaalde hoorspelen en nagelaten gedichten worden niet vergeten. Zo krijgen we een heel aardig beeld van de schoonheid, de diepgang, de rijke thematiek en de verrassende veelzijdigheid van Bachmanns werk. En trouwens ook van Bachmann als persoon, onder meer door een helder stuk over haar wel heel gecompliceerde liefdesverhouding met Max Frisch, en door een ontroerend stuk van haar jonge broer.
Maar het allermooist vind ik dat Beers en Dusar niet alleen alles van Bachmann weten, maar ook zo ongeremd enthousiast zijn over haar oeuvre. En vooral dat ze dit enthousiasme aanstekelijk overbrengen, zonder Bachmann te verheerlijken. Wel zijn de stukken van met name Paul Beers soms nogal anekdotisch, en wat erg uitgebreid over zijn eigen – overigens inderdaad prijzenswaardige- rol in de Nederlandse Bachmann- receptie. Ook houden sommige stukken naar mijn smaak te vroeg op, en hadden de interessante thema’s soms meer uitvoerigheid en diepgang verdiend. Het hele boek had wat mij betreft bovendien dikker gemogen. Maar het boek is nu wel prettig behapbaar. En mede daardoor is het een heel aardige reisgids voor degenen die op reis willen in het werk van Bachmann, maar ook voor degenen die willen nagenieten van die reis.
Het is kortom goed nieuws dat Koppernik niet alleen Bachmann zelf heeft uitgegeven, maar ook dit enthousiasmerende boekje over Bachmann. Daarmee krijgt deze geweldige schrijfster de aandacht die ze volgens mij verdient.
Fascinerend aan Bachmann vind vooral haar radicaliteit en haar intense geladenheid. Haar uiterst sensibele personages worstelen steeds op adembenemende wijze met de krenkingen van het leven, de oorlog van allen tegen allen die wij in stilte voeren, de nawerkingen van WO II en het Nazisme, het knellende keurslijf van onze taal en onze conventies dat ons (volgens Bachmann) langzaam vermoordt. En aan dat alles pogen zij op al even adembenemende wijze te ontsnappen, door breuken te zoeken in onze taal, denkwijzen en conventies, en door naar nieuwe perspectieven te tasten die radicaal anders zijn dan alles wat wij menen te weten. “Wat waar is veroorzaakt scheuren in de muur”, zo schrijft Bachmann: al haar personages zoeken met wanhopig intense passie naar precies die scheuren. Vaak ten koste van alles, en tegen elk gezond verstand in, maar ze kunnen niet anders, en ze hebben bovendien geen boodschap aan ‘gezond verstand’.
Precies die gepassioneerde zoektocht evoceert Bachmann in ongelofelijk geconcentreerd poëtisch proza, dat ook zelf radicaal anders is en met alle keurslijven breekt. Vooral dat bewonder ik: zelden las ik zulk intens proza dat zo doordesemd is van zulke onbevattelijk indringende beelden die zo aanstekelijk naar het ongrijpbare grijpen. En die het ongrijpbare ook ongrijpbaar houden, zodat het ons als lezers ook altijd met zijn geheimzinnigheid en onbereikbaarheid blijft verlokken. “De verdichte taal is een wegwijzer, een teken van een werkelijkheid die zelf (nog) niet met taal valt uit te drukken”, schrijft Dusar terecht: daarom is Bachmanns verdichte proza en poëzie altijd ongrijpbaar en duister. Dat vraagt van de lezer veel inspanning, en niet iedereen zal houden van Bachmanns radicaliteit en tragiek. Maar in ruil daarvoor krijg je een wel heel rijke leeservaring aangeboden, met perspectieven die je bij andere schrijvers niet gauw vindt.
Die leeservaring nu wordt in dit boekje op fraaie wijze verrijkt. De beide auteurs zijn namelijk heel goede gidsen. Paul Beers heeft alle Nederlandstalige Bachmann- vertalingen gedaan, en heeft de waarde van haar werk vele jaren lang onvermoeibaar verdedigd. Ingeborg Dusar is op Bachmann gepromoveerd, en in haar ongelofelijk erudiete nawoorden van "Doodsoorzaken" en "Verzamelde verhalen" bleek al dat ze betekenislagen naar boven kan halen die simpele lezers als ik nooit zouden hebben gezien. Dat doet ze bovendien op heldere wijze, zonder veel vakspecialistisch en ingewikkeld jargon. Haar duidingen vind weliswaar soms nogal speculatief, maar tegelijk vind ik die speculaties wel weer heel intrigerend.
Bovendien is het mooi dat Beers en Dusar het hele werk van Bachmann meenemen, dus de romans, de gedichten, de verhalen én de essays, dat ze recht doen aan de inhoud én aan de mogelijke autobiografische (vaak pijnlijk traumatische) achtergronden ervan, en dat ze samen van gedachten wisselen over moeilijk te interpreteren of te vertalen passages én over Bachmanns soms moeizame receptie binnen en buiten het Nederlandse taalgebied. Ook de nog onvertaalde hoorspelen en nagelaten gedichten worden niet vergeten. Zo krijgen we een heel aardig beeld van de schoonheid, de diepgang, de rijke thematiek en de verrassende veelzijdigheid van Bachmanns werk. En trouwens ook van Bachmann als persoon, onder meer door een helder stuk over haar wel heel gecompliceerde liefdesverhouding met Max Frisch, en door een ontroerend stuk van haar jonge broer.
Maar het allermooist vind ik dat Beers en Dusar niet alleen alles van Bachmann weten, maar ook zo ongeremd enthousiast zijn over haar oeuvre. En vooral dat ze dit enthousiasme aanstekelijk overbrengen, zonder Bachmann te verheerlijken. Wel zijn de stukken van met name Paul Beers soms nogal anekdotisch, en wat erg uitgebreid over zijn eigen – overigens inderdaad prijzenswaardige- rol in de Nederlandse Bachmann- receptie. Ook houden sommige stukken naar mijn smaak te vroeg op, en hadden de interessante thema’s soms meer uitvoerigheid en diepgang verdiend. Het hele boek had wat mij betreft bovendien dikker gemogen. Maar het boek is nu wel prettig behapbaar. En mede daardoor is het een heel aardige reisgids voor degenen die op reis willen in het werk van Bachmann, maar ook voor degenen die willen nagenieten van die reis.
Het is kortom goed nieuws dat Koppernik niet alleen Bachmann zelf heeft uitgegeven, maar ook dit enthousiasmerende boekje over Bachmann. Daarmee krijgt deze geweldige schrijfster de aandacht die ze volgens mij verdient.
1
Reageer op deze recensie