Meer dan 6,3 miljoen beoordelingen en recensies Organiseer de boeken die je wilt lezen of gelezen hebt Het laatste boekennieuws Word gratis lid
×
Lezersrecensie

Een merkwaardige en indrukwekkende autobiografie

"W of de jeugdherinnering", van Georges Perec, is een van de indrukwekkendste autobiografieën die ik ooit las. Maar ook een van de merkwaardigste. Want hij bestaat uit twee parallel verlopende verhalen, die om en om worden verteld. Niet één realistisch en feitelijk verhaal, maar twee enigmatische verhalen die elkaars raadsel nog vergroten. Eén van de verhalen is een spannend avonturenverhaal vol cliff hangers, dat op verrassende wijze uitmondt in bizarre, Kafkaëske fictie. Het andere verhaal is autobiografisch, maar omcirkelt ongrijpbare leegtes: de onbevattelijke dood van Perecs Joodse ouders, de gapende leegte die zij achterlieten. Het autobiografische verhaal begint met een opmerkelijke disclaimer: “Ik heb geen herinneringen aan mijn kinderjaren”. Dat is, volgens mij, omdat zijn geheugen die kinderjaren niet kon bevatten. Want in die kinderjaren vielen alle bakens en handvatten weg.

Georges Perec is 7 maart 1936 geboren. Zijn ouders, Icek Perec en Cyrla Szulewicz, kinderen van Pools - Joodse immigranten, stierven vrij snel daarna. Op 16 - 07- ‘40 overleed Icek Perec als vrijwillig soldaat aan een slecht behandelde schotwond. Cyrla Perec is op 11- 02- ‘43 op transport gesteld, en overleed in of op weg naar Auschwitz. De piepjonge Georges begreep niets van dit alles. Ook jaren later niet. Want het is onbevattelijk om beide ouders aan de Holocaust te verliezen. Bovendien moest hij een gefingeerde identiteit aannemen, want niemand mocht weten dat hij Joods was. En die falsificatie bleef altijd een deel van zijn wezen. Dat hem met stomheid sloeg.

Perecs autobiografische verhaal draait dan ook expliciet om het onzegbare. Of om het niet- kunnen- zeggen: “Ik weet niet of ik niets te zeggen heb, maar ik weet dat ik niets zeg; ik weet niet of dat wat ik te zeggen zou hebben, niet gezegd wordt omdat het het onzegbare is (het onzegbare zit niet in de schriftuur verscholen, het is wat het al veel eerder in beweging gezet heeft); ik weet dat wat ik zeg blanco is, neutraal is, een definitief teken is van een definitieve vernietiging”.

Het autobiografische verhaal staat daarom vol lacunes. Bijvoorbeeld heel tastende passages die de ik- figuur lang geleden schreef, en die hij later aanvult en corrigeert. Vaak op vernuftige wijze. Maar ook dan zoekt hij vergeefs naar de kern. Ook zijn er minutieuze beschrijvingen van oude foto’s, waarin hij veel details ziet, maar niet wat die details verklaart of verbindt. En dat onderstreept de afstand tussen hem en die foto’s. Daarnaast zijn er veel bedrieglijke herinneringen, vol verdringing of vertekening. Bijvoorbeeld dat zijn moeder voor hem een Charlie kocht waarin een verstripte Charlie Chaplin optrad als parachutist. Dat zou dan de laatste keer zijn geweest dat hij haar zag. Echter, in het bezette Frankrijk van toen werden er geen geïllustreerde tijdschriften verkocht met Charlie Chaplin in de hoofdrol. Bovendien, in die herinnering draagt hij zijn arm in een draagdoek, maar ook dit ziet hij later als een lapsus.

Uitgerekend het laatste beeld van zijn moeder is dus een drogbeeld. Pijnlijk, temeer omdat hij nauwelijks andere herinneringen aan haar heeft. En let op zijn psychoanalytische duiding: “Door deze herinnering loopt een drievoudig kenmerk: parachute, arm in een doek, breukband: dat heeft te maken met ophanging, ondersteuning, bijna met prothese. Om te bestaan de behoefte aan steun. Toen de toevalligheden van de militaire dienst zestien jaar later in 1958 een parachutist van mij maakten, kon ik in de minuut die de sprong duurde een ontcijferde tekst van deze herinnering lezen: ik werd in de leegte geslingerd; alle draden waren gebroken; ik viel, alleen en zonder steun. De parachute ging open. De bloemkroon ontvouwde zich, een broze en zekere steun vóór de beheerste val”. Een mooie metafoor: de parachute als steun, die de val in de leegte breekt. Maar het is ook een schrijnende metafoor, want die steun is broos. Want de draden – de banden met zijn moeder- zijn gebroken. En Georges voelt zich in de leegte geslingerd.

Het autobiografische verhaal zit dus vol leemten, lacunes en drogbeelden. Bovendien heeft het vreemde raakvlakken met de parallel vertelde, volkomen bizarre fictie. De hoofdpersoon daarvan, Gaspard Winckler, is een gedeserteerde met een geleende identiteit, en met adoptieouders. Halverwege de roman gaat hij op zoek naar degene wiens naam en identiteit hij heeft geleend. Dat is een doofstom en hulpeloos jongetje, dat bij een schipbreuk is verdwenen. De naam “Gaspard” doet bovendien denken aan de beroemde vondeling Kaspar Hauser, die alleen op de wereld was en van alle taal was beroofd. Over dat alles vertelt ik- figuur Gaspard Winckler met omtrekkende bewegingen, en met veel aandacht voor wat hij is vergeten of niet begrijpt. Die stijl van vertellen lijkt sterk op die in het autobiografische verhaal. Beide ik- figuren zijn bovendien verweesd, en beide ik- figuren beleven hun identiteit als één grote falsificatie.

Gaspard Winckler lijkt dus een dubbelganger van Perec. Of in elk geval een ik- figuur die vergelijkbare thema’s doorleeft als de ik- figuur in het autobiografische verhaal, maar vanuit een ander perspectief. De ik- figuren Gaspard Winckler en Georges Perec verdubbelen en spiegelen dus elkaars raadselachtigheid. Dat maakt de roman als geheel nog raadselachtiger. En het maakt de persoonlijke geschiedenis van Perec nog ongrijpbaarder.

Bovendien slaat het Winckler- verhaal halverwege de roman helemaal om, in een relaas over het fictieve eiland W. Dit eiland wordt aanvankelijk beschreven in de meeslepende stijl van avonturenboeken. Net zo meeslepend, en bovendien hilarisch en ongelofelijk fantasievol, is aanvankelijk de beschrijving van de gratuite doch stringente Olympische sportregels die W beheersen. Die beschrijving wordt echter steeds Kafkaësker. Permanente strijd van allen tegen allen is de ondoorgrondelijke Wet van W. Irrationeel toeval en de grillen van autoriteiten zijn bepalend voor winst en verlies. En zelfs alle winnaars zijn uiteindelijk groteske verliezers. Iedereen op W zou dus permanent moeten schreeuwen van wanhoop. De meesten echter doen dit alleen in stilte. Of hebben de illusoire hoop dat puur toevallige winst van een wedstrijd hun leven fundamenteel zal verlichten. De Kafkaëske en bizarre verschrikking van W wordt meesterlijk opgeroepen. Indringend is ook hoe de bizarre schrikbeelden steeds sterker doen denken aan de concentratiekampen, het Nazisme, de holocaust. Aan de Grote Geschiedenis dus, die zo doorwerkte in Perecs persoonlijke geschiedenis. De ongrijpbaarheid van die persoonlijke geschiedenis werd in het autobiografische verhaal al fraai voelbaar gemaakt. Maar parallel daaraan wordt ook nog het bizarre verhaal van W verteld, zodat tegelijk ook de onbevattelijkheid van die Grote Geschiedenis doorklinkt.

Beide om en om vertelde verhalen samen roepen dus een wereld op die totaal van zijn samenhang is beroofd. En dat verwoordt Perec prachtig: “Van nu af aan bestaan de herinneringen, vluchtig of hardnekkig, onbeduidend of zwaarwichtig, maar ze worden door niets bijeen gehouden. Ze lijken op dat niet- doorlopende handschrift, bestaande uit losse letters die niet in staat waren zich aaneen te hechten om een woord te vormen, dat tot mijn zeventiende of achttiende het mijne was, of op die versnipperde, verbrokkelde tekeningen waarvan de verspreide elementen er bijna nooit in slaagden met elkaar een geheel te vormen en waarmee ik (…) hele schriften vulde”.

De titel van de roman, en de naam van het bizarre eiland, is bovendien ‘W’. Een losse letter die niet in staat is om samen met andere letters een woord te vormen. Perec associeert die W bovendien met andere losse letters. De W heet in het Frans ‘double V’. Twee met de punten tegen elkaar geplaatste V’s vormen een X. De X is het teken van de onbekende of van het geschrapte woord. Door de armen van de X met gelijke en loodrecht erop staande segmenten te verlengen krijg je een hakenkruis. Door andere typografische manipulaties zelfs een davidster…… Allemaal associaties met letters die niet in een woord bijeen worden gehouden. Allemaal associaties bovendien met het Nazisme, de holocaust, het geschrapte, het onbekende: met wat zich niet laat vatten in woorden. Een vergelijkbare woordloosheid is er bovendien aan het eind van hoofdstuk XI. Dat hoofdstuknummer verwijst in stilte naar de datum waarop Perecs moeder verdween: 11- 02- ‘43. Hoofdstuk XI breekt af met een aantal witte pagina’s, en een bladzijde waarop alleen ‘(….)’ staat. Witte bladzijden die leegte markeren. Een ‘(….)’ die markeert dat er ‘iets’ is weggelaten. En daarna worden de zo omineuze getallen 11, 2, 4 en 3 in het verhaal over W vaak herhaald…… Zodat die datum van haar verdwijning in het W- verhaal zelfs nog obsessiever rondspookt dan in het autobiografische verhaal.

Ik ken geen enkel ander autobiografisch boek met zo’n intrigerende en originele vorm. Perecs prachtige – en mooi vertaalde- zinnen maken de leegte bovendien op indrukwekkende wijze voelbaar. Ook zijn spel met losse letters, symbolische getallen en witte bladzijden doet dat. Net als zijn fascinerende passages over het haperende geheugen, over onbevattelijke lacunes, of over het niets in zijn schriftuur. Het is mooi hoeveel nieuwe of vernieuwde Perec- vertalingen er de laatste tijd worden uitgebracht. Maar ik vind het nog mooier dat dit meesterwerk er al een tijd is.

Reageer op deze recensie

Meer recensies van Nico van der Sijde

Gesponsord

Een moeder zal alles op alles zetten om haar zoon vrij te pleiten, maar is hij wel zo onschuldig als ze denkt? Schrijf je nu in voor de Hebban Leesclub.